DE BEZIELING VAN DE OPDRACHT-SJAAK LANGENBERG

“Wat is dat voor een raar kruis?,” vraagt Jan als hij van zijn baas de opdracht krijgt om een kruisbeeld voor op het dak van de Onze Lieve Vrouwe van Altijd Durende Bijstand in Breda te smeden. Vele ijzeren trapleuningen die de wijk De Heuvel sieren, zullen nog door zijn handen gaan. Ik ontmoet de inmiddels 81-jarige Jan op het Mgr. Nolensplein waar hij zijn hond uitlaat. Jan kampt met allerlei gezondheidsproblemen en heeft duidelijk behoefte aan aanspraak. En dan heeft zijn hond de week ervoor ook nog een beroerte gehad. Zijn beste maatje is de kluts kwijt.In opdracht van de gemeente Breda werk ik in samenwerking met Rosé de Beer aan een ontwerp voor een kunstproject op of rond het Mgr. Nolensplein in de wijk De Heuvel. De kerk die aan dit plein ligt wordt herbestemd als multifunctioneel gemeenschaphuis.Van alle ontmoetingen met bewoners van de Heuvel en professionals die zich om de Heuvel bekommeren, is de ontmoeting met Jan de meest bijzondere. Hij wijst naar details van de kerk die hij heeft gemaakt. Ik kijk heen en weer van zijn verweerde handen naar het kruis. Het plein wordt letterlijk bezield, en daarmee ook de opdracht.

Tijdens een rondetafelgesprek over de provinciale ondersteuning van audiovisuele kunst in Noord-Brabant werd door een onderzoeker van de Universiteit van Tilburg aan de deelnemers gevraagd wat de belangrijkste externe factor is om werk te kunnen maken. “Geld,” klonk het in koor. Als enige in het gezelschap antwoordde ik: “Een gepassioneerde opdrachtgever.” Opdrachten waarin de relatie met een opdrachtgever heel zakelijk is en het publiek waarvoor ik een werk ontwerp een abstract gegeven blijft, zijn meestal niet de meest geslaagde exercities. Een aantal jaar geleden maakte ik een ontwerp voor een Rijksinrichting voor Jongens waarbij de opdrachtgever mij verbood met hen contact te leggen. Ik worstelde met de opgave, omdat ik niet wist voor wie ik dit werk nu eigenlijk maakte.

De meest geslaagde opdrachten zijn de opdrachten waar ik geestverwanten ontmoet. Soms zijn dat de opdrachtgevers zelf. Nog mooier is het als je tijdens je onderzoek iemand in een wijk, op een school, in een verzorgingstehuis, bij een bedrijf of in een polder ontmoet die je op een onverwacht moment inspireert. Als ik met hen een geestverwantschap voel, dan maak ik het werk speciaal voor hen. Niet letterlijk, mijn publiek is uiteindelijk veel groter. Maar door het idee te koesteren dat je iets speciaal voor iemand maakt, raakt de opdracht bezield. Zij zijn mijn echte opdrachtgevers. Het zijn vaak mensen die midden in een gemeenschap staan, maar die tegelijkertijd in staat zijn te reflecteren op de gemeenschap waarvan ze deel uitmaken en op hun eigen positie daarin. Ondernemende mensen met een open instelling, met zelfspot en humor, mensen die niets met kunst te maken hebben, maar die er wel gevoel voor hebben. Piet Snellaars, directeur grondzaken van de gemeente Beuningen, gaf ooit aan mij de volgende omschrijving van deze personen: “Het is de kunst om de positieve actoren binnen een gemeenschap te ontdekken. Wij gaan geen atletiekbaan aanleggen. We gaan eerst op zoek naar iemand die een atletiekvereniging wil oprichten. Als Fanny Blankers-Koen in Beuningen woonde hadden wij allang een atletiekbaan gehad.”

Een ontmoeting als die met Jan in Breda kun je niet regisseren, maar je hebt wel een enorme voorsprong als een opdrachtgever een neus heeft voor ‘de positieve actoren,’ Er zijn opdrachten geweest waarbij de mensen die mij inspireerden bijna op een dienblaadje werden aangereikt door de opdrachtgever. Dat getuigt van gepassioneerd opdrachtgeverschap. Als dat aanwezig is, komt het uiteindelijk met het geld ook wel goed.

Sjaak Langenberg

april 2007

Meer info: www.sjaaklangenberg.nl