Omgevingskunstwerk scholencomplex Lunetten
Jaar: 1982
Categorie: omgevingskunst
Locatie: Houtense pad, Lunetten
Plaats: Utrecht, Utrecht
Ruimte: openbare ruimte algemeen
Materiaal: baksteen, beton, metaal, grijze silex
In opdracht van: Gemeente Utrecht
Begeleider: Gemeente Utrecht
Het succes van de omgevingskunst uit de jaren zeventig kan verklaard worden uit het grote politieke en institutionele draagvlak voor de inzet van beeldende kunst bij het creëren van een nieuwe leefomgeving. Vooral pleinen en andere stedelijke buitenruimten werden als zelfstandige ontwerpeenheid door een interdisciplinair team van kunstenaars en architecten aangepakt. Maar de ambities van de omgevingskunst gingen verder. De beoogde integratie van kunst en stedenbouw vereiste dat de kunstenaars bij het plannen van een nieuwbouwwijk als volwaardig lid van het ontwerpteam konden functioneren. Een belangrijk voorbeeldproject hiervan was de Utrechtse wijk Lunetten. De kunstenaars Wim Korvinus en Marcel van Vuuren ontwierpen voor Lunetten een masterplan: een overkoepelende conceptuele structuur die werd bepaald na zorgvuldige studie van de sociaal-maatschappelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten van het gebied. De deelopdrachten aan de kunstenaars werden ingepast in de stedenbouwkundige structuur van de wijk, maar in de uiteindelijke opdrachten lag, in weerwil van het oorspronkelijke plan, het accent toch op de identiteit en functie van één bepaalde plek. Een goed voorbeeld daarvan is het werk van Bas Maters. Zijn 'omgevingskunstwerk' moest functioneren als een oriëntatiepunt in de wijk en gestalte geven aan de voor de wijk zo kenmerkende relatie tussen land en water. Maters ontwierp een klein landschapje met een speelveld dat omgeven wordt door in elkaar stekende heggen.
Camiel van Winkel beschrijft in zijn boek ‘Moderne Leegte’ de mankementen van het masterplan van Korvinus en Van Vuuren. Achteraf moest geconstateerd worden dat de positie van de beeldend kunstenaars in het ontwerpteam onvoldoende gedefinieerd was, waardoor het voor hen moeilijk werd een daadwerkelijke integratie tussen de bouwpraktijk en de beeldende kunst te bewerkstelligen. Uiteindelijk werden Korvinus en Van Vuuren gedwongen zich te richten op de individuele projecten en die gaven volgens Van Winkel ‘blijk van een visuele dogmatiek die typerend was voor de omgevingsvormgeving’. Bovendien had men de mogelijkheden om met beeldende middelen een gegeven situatie te beïnvloeden enorm overschat. De idealen van de integratie van beeldende kunst en architectuur zijn ondanks deze vroege teleurstellingen allerminst verdwenen. Samenwerking met kunstenaars in een zo vroeg mogelijk stadium van het ontwerp is nog steeds een belangrijk uitgangspunt bij de integratie van beeldende kunst op Vinex-locaties. (IC)