Het Muizengaatje
Jaar: 2001
Categorie: landschapsarchitectuur
Locatie: rondom kruising A20 en de Bergweg
Plaats: Rotterdam, Zuid-Holland
Ruimte: openbare ruimte algemeen
Materiaal: diverse materialen
In opdracht van: Centrum Beeldende Kunst Rotterdam / Deelgemeente Noord
Begeleider: Centrum Beeldende Kunst Rotterdam
Link naar: www.restruimten.nl
In Nederland ontstond vanaf de jaren negentig een nieuwe tendens in de kunst in de openbare ruimte: kunstenaars geven de autonomie van hun vak op ten gunste van de samenwerking met andere disciplines als (landschaps)architectuur en stedenbouw. Een aantal kunstenaars in Nederland, waaronder het kunstenaarsduo 'Ommission' (Q.S. Serafijn en Hans Snoek) hebben dit zelfs tot een nieuw statement verheven. In 1999 hielden zij in het tijdschrift ‘Archis’ een pleidooi voor de 'undercoverkunstenaar'. De maatschappelijke relevantie van kunst ligt allang niet meer besloten in diens autonome status, aldus Snoek en Serafijn, en dus moeten kunstenaars het kunstobject niet meer centraal stellen en bereid zijn een bijdrage te leveren aan het ontwerpproces van de openbare ruimte, zonder dat het resultaat daarvan als zodanig als kunst herkenbaar hoeft te zijn.
Het zogenaamde ‘Muizengaatje’ in Rotterdam is van dit streven één van de voorbeeldprojecten in Nederland geworden. Het ‘Muizengaatje’ is de naam van het gebied gelegen onder de A20, op de grens van de Rotterdamse deelgemeenten Noord en Hillersberg-Schiebroek. Het gebied was een typische restruimte; een verloederd en verwaarloosd terrein dat door omwonenden werd gebruikt als vuilstortplaats. In samenwerking met de kunstenaar Jeroen van Westen en projectcoördinator Maarten van Wesemael hebben Hans Snoek en Q.S. Serafijn voor dit gebied een herinrichtingsplan ontwikkeld waarbij ze ook het aangrenzende gebied betrokken.
Normaliter wordt bij ontwerpprocessen van infrastructurele werken de natuur gescheiden van de infrastructuur. Het belangrijkste uitgangspunt van het voorstel van Serafijn en Snoek was dat cultuur en natuur elkaar niet uitsluiten maar elkaar juist wederzijds kunnen versterken. Daarnaast stelden ze voor dat de ruimte zo ontworpen diende te worden dat de functie ervan zichtbaar wordt voor gebruikers en omwonenden. Het aanwezige spaarbekken voor rioolwater mocht dan ook niet aan het zicht onttrokken, maar moest juist naar voren gehaald worden. Zo ontstond een spiegelend vlak dat de monumentaliteit van het viaduct versterkt. Midden in dit spaarbekken plaatsten de kunstenaars het noodzakelijke rioolgemaal dat met bijzondere aandacht werd vormgegeven. Daarnaast is een lichtplan ontwikkeld dat het viaduct als een monument uitlicht. Het laatste onderdeel van de herinrichting was om ook de natuur weer toe te laten door het spaarbekken te beplanten. Deels is deze beplanting zo uitgekozen dat ze een waterzuiverende werking heeft. Het ‘Muizengaatje’ heeft ertoe geleid dat de kunstenaars een overkoepelende visie hebben ontwikkeld voor het gebruik van restruimten in de stad. (IC)