De Rode Loper
Jaar: 1997
Categorie: onbekend/ algemeen
Locatie: kunstroute van de St. Catharinakerk langs het Begijnhof en het stadhuisplein naar de oever van de Dommel
Plaats: Eindhoven, Noord-Brabant
Ruimte: openbare ruimte algemeen
Materiaal: diverse materialen
In opdracht van: Gemeente Eindhoven i.s.m. Van Abbemuseum
Begeleider: Gemeente Eindhoven
Langs ‘De Rode Loper’, een kunstroute tussen de Sint-Catharinakerk en het van Abbemuseum, plaatsten de conceptuele kunstenaars Mat Mullican (1951) en Lawrence Weiner (1940) talloze, niet altijd even herkenbare, kunstwerken met de bedoeling de toeschouwer het heringerichte stadhuispleingebied ‘bewust te laten beleven’. Zo ontwierp Mullican onder andere een drie meter in de grond verzonken boiler, een glas-in-loodraam en meerdere neonsculpturen. Van Weiner is ‘een wensput’ te zien.
De werken van Mullican maken deel uit van een omvangrijk systeem – door hem zelf ‘kosmologie’ genoemd – waaraan hij al sinds 1975 werkt. De uitvoering in Eindhoven bevat vijf oplopende niveaus. Het laagste niveau, ‘energie’, wordt verbeeld door de letterlijk laag geplaatste boiler. Na de ‘niet gekaderde wereld van objecten’ waar onder meer het glas-in-loodraam betrekking op heeft en de ‘gekaderde wereld’, groeit het proces via ‘tekens’, tot het hoogste niveau: ‘de geest’. De neonrozetten in de Begijnstraat, die een echo vormen van het roosvenster in de St-Catharinakerk, markeren het eindpunt van dit groeiproces waarin de werkelijkheid wordt verbeeld.
Lawrence Weiner werkt sinds 1970 voornamelijk met teksten. Eén van de werken die hij in het kader van de ‘De Rode Loper‘ plaatste was een wensput waaromheen hij, op twee zijden, de woorden ‘krijg wat’ en ‘wens wat’ zette. Op de overige zijden staat ‘omhoog op (in) de lucht/omlaag op (in) de grond’. Het punt wordt omsloten door twee sculpturale vormen waarop ‘binnen het gegeven van reactie’ en ‘binnen het gegeven van (een) reactie’ staat. Door de uitvoering op steen heeft dit conceptuele werk een fysieke aanwezigheid en wordt de aanwezige toeschouwer betrokken bij het werk doordat het hem in staat stelt te associëren. Toch is enige scepsis hier op zijn plaats, want zowel de werken van Mullican als van Weiner hebben een zo hoog conceptueel gehalte dat ze voor de gemiddelde voorbijganger nauwelijks te begrijpen zijn. Hoewel dit project als samenwerkingsverband tussen twee belangrijke conceptuele kunstenaars voor Nederland een interessant gegeven is, is het maar zeer de vraag of ze passen in een stedelijke omgeving: wellicht zouden ze in een museum beter tot hun recht komen. (AvdB/IC)